Onlangs woonde ik een informatiesessie bij omtrent de pedagogisch didactische ICT-visie in het onderswijs. Wat me hiervan het meest is bijgebleven, is de ongelofelijke accuraatheid van de “hype cycle”.
Zo werd het gebruik van een Smartboard eerst argwanend bekeken, daarna werd het lokaal te pas en te onpas gereserveerd, om uiteindelijk tot een “normaal” dagelijks gebruik te komen. (reserveren wanneer les geeft over de werelddelen om dan het Smartboard te gebruiken met een flashapplicatie over dit onderwerp).
Maar ik betrapte er mezelf (en mijn onderwijs collega’s wiskunde) ook op dat wanneer we het wiskundig programma “Geogebra” begonnen te gebruiken, we na een tijdje alle oefeningen begonnen te maken met Geogebra en geen aandacht meer besteedden aan de manuele constructies en vaardigheden. Nu proberen we de gulden middenweg te vinden tussen constructies met de hand en constructies met de computer. Toch is dit niet steeds even eenvoudig omdat het heel wat tijd in beslag neemt om vaardig met de “geogebra”-onderwijstoepassing te leren werken, waardoor je natuurlijk ook wil zien (en de leerlingen ook) dat er de vruchten van geplukt worden (m.a.w dat er vele oefeningen met de pc gemaakt worden).
Ik heb ook wel de indruk dat in het onderwijs leerkrachten die minder ICT-minded zijn meer didactisch en minder technologisch gestuurd denken. Wanneer zij een toepassing van ICT gebruiken (zoals bijvoorbeeld onze leerkracht Frans) zal dit eerder sporadisch, maar wel goed doordacht gebeuren. (bv. zij gaat niet naar het computerlokaal om enkele invuloefeningen op het internet te maken die net zo goed op papier konden verwerkt worden, maar enkel als er een pedagogische meerwaarde aan vasthangt, zoals de mogelijkheid om de uitspraak van verschillende Franse woorden te horen. Zoals in het Franse onderwijs.
Naast deze “early adaptors” en de weloverwogen gebruikers van ICT, is er volgens mij ook nog een derde groep ICT-gebruikers bij ons op school: de mensen die een negatieve houding hebben tegenover ICT (veelal oudere leerkrachten). Het is zeer moeilijk om deze mensen te overtuigen van de didactische meerwaarde van ICT in het onderwijs en zij gebruiken ICT bijgevolg ook vooral technologisch. Wanneer de directeur de leerkrachten oplegt “dat er toch minstens éénmaal per trimester ICT in het onderwijs moet gebruikt worden”, zie je hen naar het computerlokaal trekken zonder enige didactische visie. Ze laten de leerlingen dan “iets opzoeken”, “een powerpoint maken”,... Zij vinden dat er geen didactische meerwaarde is aan comptergebruik en zij hebben dan natuurlijk gelijk. De manier waarop zij met ICT omgaan biedt inderdaad geen enkele didactische meerwaarde. het heeft iets weg van een selffullfilling profecy natuurlijk. Ik denk dat het een grote uitdaging is om deze mensen met duidelijk toepasbare voorbeelden te overtuigen, hen te laten zien dat ICT in het onderwijs wel voordelen, leerwinst oplevert, andere ICT-leken met succesverhalen naar buiten laten komen.
Ik merk een enorm enthousiasme wanneer ik aankondig dat ik zal proberen om draadloos internet overal op school toegankelijk te maken. Ik denk dat ik ook de mensen die minder positief staan t.o.v. ICtT in het onderwijs zal kunnen warm maken om een laptop in hun klas te plaatsen (eventueel met beamer) omdat het voor iedere leerkracht wel mogelijk is om iets te voorschijn te toveren op Google en dat dit ontegensprekelijk toch een meerwaarde biedt in de lessen. En wanneer de eerste stap gezet is, volgen er misschien snel volgenden (powerpoint gebruiken en dergelijke).
Wat me minder vanzelfsprekend lijkt , is iedereen gemotiveerd te krijgen om Smartschool te gebruiken met de leerlingen. Een schoolplatform is iets onbekend en onbekend is natuurlijk vaak onbemind in het onderwijs. Wanneer je inlogt op het schoolplatform krijg je natuurlijk ook onmiddellijk heel wat opties en heel wat knoppen waar je op kan drukken. Dit schrikt leerkrachten vaak al af om er ook maar aan te beginnen. Dit en natuurlijk het feit dat de leerlingen veel bedrevener zijn in ICT-gebruik dan zijzelf. Vaak weten zij al sneller dan de leerkracht waarvoor sommige knoppen dienen, wat niet zo aangenaam is om te ervaren als leerkracht, zeker niet voor leerkrachten die “boven” hun leerlingen willen staan.
We zijn er in het verleden al in geslaagd om de leerkrachten met het Smartschool platform te laten werken als communicatie- en opslagmedium (voor verslagen, jaarplannen e.d.), maar om nu ook nog met de leerlingen aan de slag te gaan, lijkt een brug te ver.
Ook hier lijkt het uitwisselen van succesverhalen weer een optie om de interesse aan te wakkeren, met deze kanttekening dat onze school slechts een 18tal leerkrachten telt, waarvan 60% ouder is dan 50. Op deze manier zijn er niet zo veel succesverhalen van mensen voorhanden en hullen de vijftigers zich al snel in het excuus dat “het binnen 3 jaar toch gedaan is”. Ik denk dat het een echte uitdaging is om hen gemotiveerd te krijgen en dat ik ook zal moeten aanvaarden dat het bij sommigen nooit zal lukken met ICT binnen het onderwijs.
Het werken rond de pedagogische insteek heeft zeker een meerwaarde gehad voor mijzelf op veelerlei gebied. Wanneer jezelf veel gebruik maakt van ICT in het onderwijs en in het ICT-wereldje werkt, raak je wel eens de voeling kwijt met de leerkrachten die hier niet uitdrukkelijk gebruik maken van ICT. Je beseft ook niet meer hoe moeilijk het soms voor die mensen is om met ICT in het onderwijs om te gaan. Zelfs het programma “powerpoint” vinden op de computer stelt soms problemen, terwijl jij dan zit te zeggen “maar doe dat toch met “powerpoint”!”.
Anderzijds is het me ook opgevallen hoezeer ik zelf soms overenthousiast kan zijn, maar ook hoe mijn enthousiasme wordt opgewekt door anderen die enthousiast/geïnteresseerd zijn.